Minister

Een dag later, op 24 juni 1945, trad het kabinet-Schermerhorn in functie. Van der Leeuw werd minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Willem Drees, met Schermerhorn formateur van het kabinet, werd op Van der Leeuw gewezen door Van der Goes van Naters, voorman van de S.D.A.P. in de Tweede Kamer. 'Volgens Van der Goes van Naters was voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een inspirerende figuur nodig die een renaissance van het Nederlandse geestesleven zou kunnen bevorderen en die werkelijk deskundig was op de drie departementale gebieden.' (Duynstee en Bosmans, p. 70) Drees liet zich overtuigen, Schermerhorn kende Van der Leeuw uit het professorenverzet, en zo kon het gebeuren dat Van der Leeuw door de dochter van Schermerhorn in Groningen werd opgehaald om in Den Haag minister te worden - in een begrafenisauto!

Behalve voor de zuiveringen aan de universiteiten en bij de omroep werd Van der Leeuw verantwoordelijk voor de vernieuwing van het onderwijs, het radiobeleid en de cultuurpolitiek. De ideeën waarmee hij de problemen te lijf ging, verwoordde hij in Balans van Nederland; het boekje was in de zomer van 1944 geschreven en verscheen in 1945. Teneur ervan was de doorbraak: het afbreken van de zuilen die Nederland verdeeld hielden. En hoe! Het christendom moest voor het Nederlandse volk een gemeenschappelijke noemer zijn en dat betekende bijvoorbeeld dat de protestantse en de katholieke omroep ('van de beruchte vier zuilen… de twee, die als ons particulier eigendom gelden…') moesten opgaan in een algemene omroep; dat - misschien - het bijzonder onderwijs als reactie op het openbaar onderwijs zou moeten verdwijnen om tot één 'christelijk nationaal onderwijs' te komen; dat de jeugdbeweging nieuw leven moest worden ingeblazen; en dat er naast een politieke volksvertegenwoordiging met bescheiden bevoegdheden specialistische volksvertegenwoordigingen op economisch en cultureel gebied moesten komen. Het was duidelijk: Van der Leeuw, als man van de wetenschap, geloofde in bijzondere kennis en bekwaamheid, en voor het christendom als bindmiddel van de natie zag hij nog decennia lang een plaats van betekenis ingeruimd, mits de natie het heilloze sektarisme maar overboord zette. Dat zijn programma storm zou oogsten, vooral onder hen die hun invloed aan de verzuiling dankten en degenen die het bijzonder onderwijs waren toegedaan, viel te verwachten.

Van der Leeuw begon voortvarend. Hij omringde zich met een aantal opvallende adviseurs - Martinus Nijhoff, de dichter, was een van hen - en initieerde in een paar maanden tijd meer instellingen en adviesraden op het gebied van onderwijs en kunst dan menig ander in een jarenlange ministeriële carrière; ze werden door zijn opvolger, dr. J.J. Gielen, vrijwel alle weer buiten werking gesteld.

Dat het misging had een dubbele reden: zelfs de oprichting van de Partij van de Arbeid in 1946, consequentie van het streven naar een doorbraak, kon niet verhullen dat Nederland aan die doorbraak nog helemaal niet toe was; en bovendien beheerste Van der Leeuw het politieke métier onvoldoende. Fokke Sierksma daarover: 'Ongetwijfeld heeft hij bij het betreden van zijn departement een groot gebrek aan ervaring gehad. Stellig kende hij de knepen van het vak niet. Hij was echter realistisch en intelligent genoeg om deze knepen te leren en hij zou ze ook geleerd hebben, wanneer hij de kans gekregen had.' En oud-minister Bolkestein van Onderwijs: 'De politiek heeft Van der Leeuw van het staatstoneel verwijderd, toen alle plannen, door en voor hem ontworpen, nog in statu nascendi waren. Dat deerde hem zeer. Maar het besef, dat de cultuur ook een staatszaak is, liet hij onverwoestbaar voor de toekomst achter.'

De verkiezingen van 1946 betekenden het einde van het kabinet-Schermerhorn en van Van der Leeuws ministerschap. Met veel goodwill in kunstenaarskringen, maar eigenlijk met lege handen keerde hij naar Groningen terug. Toch een teleurgesteld man. Het moet een zware periode voor hem zijn geweest: in dat zelfde jaar overleed zijn vrouw.

Van alles wat Van der Leeuw als minister in gang zette, spreekt de idee van een actieve cultuurpolitiek tegenwoordig nog het meest tot de verbeelding. Nu het negentiende-eeuwse mecenaat niet meer bestond, moest de overheid voor kunst en kunstenaars verantwoordelijkheid nemen, vond Van der Leeuw. Dus streefde hij naar de verspreiding van kunst over heel Nederland (geografisch én in alle lagen van de bevolking), naar de oprichting van een Nederlandse Kunststichting en naar een voorziening voor beeldende kunstenaars, die zich in het verzet hadden geweerd. Ook nu waren de weerstanden groot. Toen Van der Leeuw de oprichting van de Kunststichting bij wet wilde regelen, verzette minister Kolfschoten van Justitie zich: hij vond het principieel onjuist dat de overheid zich met kunst bezighield. De ministers Lieftinck en Drees vielen Kolfschoten bij; zij vonden Van der Leeuws aanpak te duur. Van der Leeuw moest zijn voorstel terugnemen – maar had wel bewerkstelligd dat een discussie over de verantwoordelijkheid van de overheid voor kunst en cultuur op gang werd gebracht, die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Overigens wees Jan Kassies - cultuurfilosoof en jarenlang voorzitter van de Raad voor de Kunst; hij kreeg als lid van het Kunstenaarsverzet na de oorlog met Van der Leeuw te maken - er in 1983 op dat Van der Leeuws ideeën en opvattingen over de mogelijke opbrengsten van een actieve cultuurpolitiek wel erg elitair waren, gekenmerkt door 'de grote afstand die de bewogen generatie scheidde van het werkelijke leven van wat de gewone mensen heet'. Inderdaad was enig ouderwets paternalisme Van der Leeuw niet vreemd. Of zoals Kassies dat typeert: '…wij weten wat de mensen nodig hebben en dat doen we dan voor hen… Nee, een socialist was hij stellig niet, en een democraat alleen voor zover personalistisch-socialisten dat konden wezen.'

Gielen, Van der Leeuws opvolger, wijzigde de actieve cultuurpolitiek in een positief cultuurbeleid. 'Onze minister' zette zich aan het schrijven van zijn volgende grote werk.